Henk Harmsen was op zondag 7 november 2010 te gast in het radioprogramma Schepper en Co, waar hij met presentator Yko van der Goot sprak over de X-liedjes en het boek Een brandende braamstruik. U kunt dit gesprek hier beluisteren.
Interviews
Rachèl Harmsen, de dochter van Henk Harmsen, heeft bij veel verhalen van haar vader prachtige illustraties gemaakt. Zij had onlangs het volgende interview met hem.
PROFIEL HENK HARMSEN (1)
foto's: Rachèl Harmsen
HENK HARMSEN 
Waar haal je je inspiratie vandaan?
Mijn
inspiratie ervaar ik als pure genade. Ik zou kunnen
antwoorden met X23: Ik weet niet
welke kracht mij brengt op deze
plaats. Dat lied gaat niet om
‘ietsisme’ (een opmerking die ik wel eens
gekregen heb), maar om pure genade, waar je stil van
wordt.
Waaruit
bestaat voor jou een goed lied?
Eigenlijk uit een couplet en
een refrein. En dat refrein moet direct knallen. De tekst
moet je na een keer horen nooit meer vergeten. Voor de
melodie geldt eigenlijk hetzelfde. X20 Schijn op
mij,
vind ik een geslaagd lied.
Wanneer
begon je met muziek maken?
Al op
redelijk jonge leeftijd. Toen ik 10 was, kreeg ik een
harmonium, waar ik vanaf het eerste begin op heb
geïmproviseerd. Met 11 jaar ging ik naar de muziekschool en
op mijn twaalfde speelde ik al regelmatig orgel in de kerk.
Op mijn veertiende was ik organist in drie verschillende
kerken, een Hervormde, een Gereformeerde en een Katholieke.
Mijn eerste liedje heb ik gemaakt toen ik twaalf was. Mijn
eerste liedje dat wat voorstelde maakte ik waarschijnlijk
toen ik 14 was. Tussen mijn 15e en 22e zat ik in diverse
bands en schreef daar veel songs. Tussen mijn 18e en 21e
had ik regelmatig compositieles van David Rowland.
Hoe begin je een lied?
Soms
is er een tekst (X7 Als ze met
verhalen komen), soms alleen een melodie
(X51 Stroom
verder). Soms ontstaat het
tegelijkertijd (X28 Laat me niet
alleen). Daar is niet echt een
regelmatig patroon in te herkennen.
Hoe
zie je jezelf over een jaar, 5 jaar, 10 jaar?
Geen
idee. Tien jaar geleden dacht ik nooit meer liedjes te
schrijven en nu heeft de bundel X - Liedjes voor de
onbekende al meer dan 55 liederen. Ik
hoop wel dat de liederen veel gezongen gaan worden en dat
ze de mensen net zo goed doen als dat ze mij doen.
Waar
streef je naar met je muziek en teksten?
Ik heb
niet echt iets wat ik wil overbrengen. Als ik toch wat wil
overbrengen is het meestal emotie. Ik wil mensen raken.
Heel soms wil ik een boodschap overbrengen. Maar dat is
altijd een gevaarlijke onderneming. Ik ben vaak lang bezig
met teksten om de prekerigheid tot het minimum te beperken.
Jan Veerbeek bewaakt juist wat dat betreft de kwaliteit van
de teksten en zet mij met zijn commentaren weer met beide
benen op de grond.
Wat
voor reacties krijg je van mensen?
Over
het algemeen zijn de mensen erg enthousiast. Zowel mensen
die trouw ter kerke gaan als mensen die daar nooit komen.
De bundel is bedoeld als een soort brug tussen de diverse
geloven maar natuurlijk vallen niet altijd alle liedjes
goed. X23 Ik weet niet
welke kracht, heeft bijvoorbeeld wel
eens voor verdeeldheid gezorgd in een liturgiecommissie.
Voor de ‘echte’ vrijzinnige is dit lied
bijna een geloofsbelijdenis, voor de meer
‘behoudende’ groep is het duidelijk een brug
te ver (of eigenlijk een brug te weinig).
Wat
wil je mensen meegeven?
Alles
draait uiteindelijk om Liefde. All you need is
love.
Niet de romantische liefde, maar de liefde die in 1
Korintiërs 13 wordt beschreven. Liefde die licht is. Het
gaat niet om leerstellingen, het gaat niet om opstanding,
niet om redding of verzoening van je zonden. Het gaat niet
om Jezus en het gaat niet om God. Het gaat uiteindelijk om
de Liefde. Het gaat er om wat jij geeft en wat jij neemt en
of je daarbij de kennis, het inzicht, het weten hebt dat
Liefde alles in alles is. Uiteindelijk gaat het er om of je
zo kunt 'zien' (X43).

PROFIEL HENK HARMSEN (2)
In de afgelopen jaren zijn er verschillende vragen gesteld
die te maken hebben met de bundel X – Liedjes voor de
onbekende. Hieronder zijn die vragen op een rij gezet en
Henk heeft een poging gewaagd ze te beantwoorden.
De bundel heet X, met als onder titel ‘liedjes voor
de onbekende’. Vanwaar die X?
In het
begin in 1999 was er nog geen sprake van een bundel, maar
toen er een paar liederen bij de Opengeloofsgemeenschap in
Veenendaal vaker gezongen werden, zochten we naar een plek
waar ze gemakkelijk terug te vinden zouden zijn. Die vonden
we achterin de bundel Tussentijds,
die als ringmap is opgezet en de liederen thematisch
aanbiedt onder de letters van het alfabet. Omdat het zich
toen al aftekende dat de naam van God niet in de liederen
zou voorkomen, was de keuze voor de X snel gemaakt. In een
later stadium is vanuit die X de ondertitel ‘liedjes
voor de onbekende’ ontstaan - met een knipoog naar
het verhaal waarin Paulus de mensen in Athene over de
‘onbekende god’ vertelt.
Liedjes
voor de onbekende zijn religieuze liederen. Waarom komt dan
toch het woordje God niet voor, en waarom wordt de ‘
jij’ niet met hoofdletters
geschreven?
Religie betekent ‘verbinden’. Om het publiek
dat ik voor ogen heb, vrijzinnige gemeenschappen, echt aan
de liederen te binden, moet er geen afstand worden
gecreëerd. Een hoofdletter doet dat. Het woordje God nog
meer. Daarbij maakt het de verwijzing direct heel
impliciet. Jij daarboven - en ik hier beneden. Dat hoeft
niet, want juist in de ‘gewone’ relatie van
mensen onderling, kan God herkend worden. Veel liedjes
kunnen daardoor ook als ‘gewone’ liefdesliedjes
worden geïnterpreteerd. Daar is niets mis mee. Hooglied is
een magistraal liefdeslied dat van oorsprong vast geen
‘hogere’ bedoelingen heeft gehad, dan over een
fantastische liefde vol erotiek tussen man en vrouw te
schrijven. Het feit dat juist op die manier de relatie
tussen God en mensen goed kan worden beschreven (ook Jezus
gebruikt vaak de analogie van een bruidspaar) heeft mijn
liederen duidelijk richting gegeven.
Hoe
is het project eigenlijk ontstaan?
In
1999 begon ik voor de Open geloofsgemeenschap NPB in
Veenendaal met het schrijven van mijn eerste liederen. Ik
ging in dat jaar ook voor het eerst voor in Veenendaal. Ik
was daarvoor lange tijd onkerkelijk geweest en merkte bij
het voorbereiden van de bijeenkomsten dat ik veel oude
liederen niet meer kon zingen. De liederen uit het liedboek
vertegenwoordigen een theologie waarbij God en de mens twee
uitermate verschillende wezens zijn. De een is groot, de
ander klein; de een alwetend en rein, de ander dom en
zondig. Iets te kort door de bocht misschien, maar zo
voelden de liederen voor mij aan. De liederen van Huub
Oosterhuis en andere liederen in Tussentijds
vormden daarop wel
een uitzondering. Lied aan het
licht (Licht dat ons aanstoot in de
morgen...) is een prachtig lied: bevrijdend en van een hoog
poëtisch niveau. De kracht hiervan kan ook een valkuil
worden. Het zijn veelal liederen met ‘hoge woorden'.
In een liefdesreatie past natuurlijk een liefdesgedicht,
maar over het algemeen spreken geliefden met elkaar toch
vaker in eenvoudige en klare taal dan in poëtische
volzinnen.
In ieder geval had ik in 1999 behoefte aan eenvoud: weinig
woorden, ja, zelfs herhalingen als het even kan. Hoewel
Oosterhuis de kloof tussen mens en God vaak wel overbrugt,
wordt ook hier de relatie vaak in termen van
afhankelijkheid beschreven. In die tijd zag en ervaarde ik
voor het eerst dat God ons net zo hard nodig heeft als wij
hem (of haar). De relatie is wat dat betreft gelijkwaardig!
Als je goed kijkt kun je soms niet eens meer zien wie nu
wie is. Ik was al vanaf het midden van de 90-er jaren bezig
met het Boeddhisme. Dat gaf me een bevrijdend inzicht. Ik
heb daardoor ondermeer geleerd om alle oude beelden los te
laten en terug te gaan naar ‘jij en ik’. Zonder
invullen, alleen benoemen: ‘jij en ik’. Soms
was jij ik en ik was jij, soms wist jij meer dan ik
(loslaten is een moeilijk proces). Bij het lied
X47: Dit kostbaar
licht, is het denk ik gelukt de
relatie gelijkwaardig te houden, en toch met een
verlangen van de psalmist te kunnen roepen:
Als een
hinde smacht naar water, zo verlangend zoek ik jou. Laaf
mij aan de bron.
Komt
er een einde aan de zoektocht?
Nee,
net als bij een ‘gewone’ relatie ben je nooit
uitgekeken. Elke keer verras je jezelf of de ander, of de
ander verrast jou of zichzelf. Het is een voortdurend
proces van zoeken, verlangen, vinden, op afstand houden,
een-zijn-met, dankbaar zijn. Dat houdt niet op. Mijn
grootste bewaar tegen de doorsnee theologie en daarmee
tegen het Liedboek is daarom dat dit dynamische proces is
verstild op een moment van zwakte. Daardoor gaan alle
liederen over afhankelijkheid, terwijl wij de geliefde ook
moeten loslaten en niet teveel moeten belasten met onze
afhankelijkheid. Laat God een keer bij jou op jouw
schouders uithuilen, zou ik een ieder willen adviseren. Als
je dat doet, gebeuren er verrassende dingen. De relatie
wordt volwassen en als volwassenen kun je elkaars noden en
verwachtingen, hoop en angst, blijdschap en verdriet
aanhoren. Net als bij een ‘gewone’ relatie moet
je leren dat spreken zilver, maar zwijgen (en daardoor
luisteren) goud is. Dan is er geen verschil meer en kun je
met overgave zingen: Jij en ik zijn
altijd één (X26).
Voel
je je verwant met de procestheologie, met iemand als Paula
Copray misschien?
Paula
Copray is een van origine katholieke theologe. Zij
beschrijft in een artikel Onkerkelijk en toch
godsdienstig drie woorden: religie, geloof
en kerk.
Religie
is het verbonden
zijn tussen mensen onderling, tussen alles en iedereen.
Religie is het onuitspreekbare geheim. Dat is waar veel
liedjes uit X – Liedjes voor de
onbekende over gaan.
Geloof
is het concreet
maken van religie. Theologie zou ik een beter woord vinden.
Daar heb ik dus niet zoveel mee. Het onder woorden brengen
van het onuitspreekbare leidt, als het geen poëzie is, tot
starheid en verblindheid.
Zij heeft het verder over het instituut Kerk.
Ik zou liever spreken van een gemeenschap en die vind ik
wel belangrijk. Hoe individualistisch mensen ook mogen
zijn, samen zingen en samen brood en wijn nuttigen zijn
bijzondere ervaringen die ik een ieder kan aanraden. Dat
een gemeenschap zich zo ver mogelijk van
institutionalisering moet houden vind ik heel verstandig.
De opzet van de NPB is bijvoorbeeld een goede inkadering
van een gemeenschap. De aparte invulling die Veenendaal
daar aan geeft (professionele vrijwilligers-organisatie) is
denk ik een randvoorwaarde om institutionalisering tegen te
gaan.
De procestheologie
is gebaseerd op
het procesdenken
van Whitehead. In
een ander artikel van Paula Copray: God droomt veel
dromen,
schetst zij een overzichtelijk beeld van deze filosofie.
Whitehead weet dat zijn filosofie geschreven is voor deze
tijd en niet voor alle tijden. Hij schetst een beeld van
God, maar benadrukt dat ook dit beeld vervangen zal worden
door een ander. Dat moet, vindt hij, als we verstaanbaar
over God willen blijven spreken. Ik vind dat een mooie
gedachte en het doet mij denken aan de legende van de
Boeddha over de man, het vlot en de rivier
(X12 Laat
los).
In Witeheads visie is het niet óf-óf, maar én-én:
zijn
en
worden
zijn wederzijds
afhankelijk van elkaar. Voor mij persoonlijk is er nog een
stap verder: noch-noch. Vanuit het ontkennen van iets en
daarmee het loslaten van oude vastigheden is er ook geen
behoefte meer aan theoretische kaders en vervalt zelfs de
noodzaak van de theologie. Je ziet dat in het Boeddhisme
bij Zen, in het jodendom bij de Karaïeten en in het
Christendom zijn er zeker reformatorische aanzetten
geweest. Opvallend is wel dat deze aanzetten bijna allemaal
zijn gestrand; Zen is een positieve uitzondering.
Een prachtige uitspraak van Whitehead is: ‘God is not
before all creation, but with all creation’. In zijn
filosofie is er een innige wederzijdse betrokkenheid tussen
God en de mens. Wij hebben ook invloed op God. Daarom denk
ik dat X53 Een liedje over
één-zijn uitstekend past in dit
procesdenken.
Als denkkader vind ik de procestheologie erg sympathiek.
Maar het domein waarop theologie nu eenmaal werkt (het
geloof) vind ik niet zo bijster interessant. Vandaag geloof
ik dit en morgen dat, maar het zien
blijft hetzelfde en
de liefde
vergaat nooit!

